F11=groter scherm
welke zin past hierbij ?

-
De zwarte beer rijdt op een fiets.
-
De band van de fiets is stuk.
-
De fiets van de beer is groen.

-
De eekhoorn geeft de beer een pakje.
-
De beer ziet de eekhoorn weglopen.
-
De beer eet de eekhoorn op.

-
Er komt een muis uit zijn oor gekropen.
-
Die jongen werpt de muis weg.
-
De muis en die man zijn vrienden.

-
De koe lacht met wat ze ziet op de computer.
-
De koe zoekt gras om te eten.
-
De stier doet de computer stuk.

-
De ijsbeer troost de andere ijsbeer.
-
De ijsbeer vecht met de andere beer.
-
De beer is boos op die tweede beer.

-
Het huis van die mier is een paddestoel.
-
De mier plukt een paddestoel om te eten.
-
In de paddestoel woont een olifant.

-
De twee poesjes spelen met een bol wol.
-
Zij krijgen een bol wol op hun kop.
-
De poezen willen de bol wol opeten.

-
De rups eet een groen blaadje op.
-
Op het blad van die boom zit een rups.
-
De rups wordt ziek van dat blad.

-
Er vliegt een vleermuis door de lucht.
-
De vleermuis is familie van de grijze muis.
-
De muis vliegt omhoog en omlaag.

-
Een vlinder zit graag op een bloem.
-
De bloem jaagt de vlinder weg.
-
De vlinder woont in de bloemen.